
Rosemarijn Milo
Publiceerde zes boeken bij Uitgeverij U2pi
Schrijven
Hoe ik aan het schrijven ben geraakt? Dat is niet de goede vraag. Opnieuw dus.
Hoe ik aan het schrijven van boeken ben geraakt? Goeie vraag!
Schrijven heb ik mijn hele leven al gedaan. Al sinds eind 1952 – ja, zo oud ben ik – correspondeer ik met een vriendin met wie ik maar één jaar in de eerste klas heb gezeten van wat toen ‘lagere school’ heette. Bijna 73 jaar correspondentie, dus. Schrijven heb ik beroepsmatig ook veel gedaan. Allemachtig, wat moet je een boel schrijven als advocaat. Brieven tot je er half dood bij neervalt, en processtukken: dagvaardingen, verzoekschriften, eis en antwoord, repliek en dupliek in een civiele procedure, pleidooien in civiele en strafzaken. Eindeloos veel.
Sinds ik in Frankrijk ben gaan wonen heb ik brieven geschreven aan mijn in Nederland achtergebleven familie en vrienden. Na veel positief commentaar heb ik een hele serie van die brieven in 2012 gepubliceerd in een boekje ‘Brieven uit La Dominance’, genoemd naar het flatgebouwtje waar ik toen woonde in Metz. Maar dat is natuurlijk niet ‘het echte werk’.
Dat ‘echte werk’ liet nog even op zich wachten tot ik op een ochtend wakker werd – het was de zomer van 2017 - en tegen mijn man zei: ‘Ik ga een boek schrijven over mijn grootmoeder’. Ik ben er meteen aan begonnen, ‘Een vervlogen droom – Verslag van een te kort leven’. Dit boek speelt voornamelijk tijdens de Eerste Wereldoorlog; mijn grootmoeder overleed in 1918. Daar moest ik nog een heleboel over lezen voor ik een geloofwaardige achtergrond kon schetsen voor deze biografie van een grootmoeder die ik nooit gekend heb en over wie ik hoegenaamd niets wist. Tijdens het schrijven heb ik het merkwaardige gevoel gehad dat ik alleen de kraan open hoefde te zetten en het boek er vanzelf uitstroomde. Ik heb er maar heel weinig aan hoeven veranderen of schrappen, toen het klaar was.
Van het een kwam het ander. Een vriend schreef me dat hij bij lezing van dat boek zo te doen had gehad met mijn grootvader, die zijn jonge en mooie vrouw al zo vroeg had verloren. Ik schreef vervolgens, net zo gemakkelijk, een biografie over mijn altijd rouwende verweduwde grootvader, ‘Het hoge woord – Vijf vrouwen en een familiegeheim’. Niet dat ik niet ook honderd slagen in de rondte heb moeten lezen, ditmaal over de beurskrach van 1929 en de Tweede Wereldoorlog. Mijn grootvader overleed in 1958, dus had dat allemaal ook meegemaakt.
Min of meer vanzelf schreef ik vervolgens een stuk van mijn moeders geschiedenis, de dochter van die twee: ‘Eén jaar uit het leven van P.M.C.J.S. – Jaar van Honger en muziek’. Het boek vertelt over de hongerwinter, waarin ik ben geboren. Een rampzalige tijd.
Tja, en dan krijg je je omgeving over je heen die je blijft vragen ‘wanneer schrijf je nu eens iets over jezelf?’ Ik heb dat een tijdje voor me uit geschoven, tot ik het gevoel had dat het een goed idee zou zijn. Dat heeft de lezer geweten! Ruim vierhonderd bladzijden verder was hij ‘sadder and wiser’ wat zijn kennis over mij betreft. Ik heb er geen spijt van gehad. Na al het herkouwen in mezelf van wat me in mijn lange leven aan gekkigheid – lees narigheid – was overkomen, en na een langdurig en emotioneel zwaar schrijfproces, was ik opgelucht en viel het leven me lichter.
Nu was de weg vrij voor twee ‘echte’ romans, ‘Voordat alles beter werd’ en ‘Mantel van schaamte’; dat laatste borduurt voort op het eerstgenoemde. Ook het schrijven daarvan voelde als een bevrijding.
Intussen ben ik eerder dit jaar aan een nieuw boek begonnen, maar daaraan ligt het werk al een tijdje stil. Ik heb door allerlei oorzaken de rust en energie niet kunnen vinden om ermee verder te gaan. Hopelijk komt dat binnenkort weer op z’n pootjes terecht.
Schrijven is één ding, uitgeven of uitgegeven worden iets heel anders. Ik ben, na wat afwijzingen door uitgevers of helemaal geen antwoord te hebben gekregen, tot mijn grote vreugde terechtgekomen bij uitgeverij U2pi B.V. Vanaf het begin heb ik een heel plezierig contact gehad met Jeroen van der Starre, de man achter U2pi. We hebben de afspraak gemaakt dat ik het manuscript opgemaakt en al, en compleet met omslag zou aanleveren. Dat is gebeurd en waar nodig in overleg met Van der Starre aangepast en vervolgens uitgegeven. De enige met wie ik in het begin een beetje in de clinch heb gelegen, is zijn redacteur-corrector. Die zat me teveel te morrelen aan mijn tekst, waar ik naar mijn stellige overtuiging ‘goed over had nagedacht’ en niets aan het toeval had overgelaten. Inmiddels weet hij dat hij mij voornamelijk mijn gang moet laten gaan en haalt hij er de fouten uit, waar de schrijver blind voor is gebleken.
Tips voor andere schrijvers?
Ik zou het niet durven. Iedere schrijver heeft zijn eigen werkwijze. Mijn zinnen schrijven zichzelf en ik hoef er nauwelijks iets aan te veranderen. Anderen schrijven zo, dat er naderhand veel in moet worden gewijzigd. Sommigen zitten eindeloos tegen een legen pagina aan te staren, anderen kunnen niet snel genoeg tikken om hun gedachten en ideeën bij te houden.
Ik heb hoogstens een paar negatieve adviezen:
- Trek je er niets van aan als anderen zeggen ‘schrijfmeters maken, en later zie je wel wat ervan overblijft na te hebben geschrapt’. Dat lijkt me dubbel werk.
- ‘Show, don’t tell’ vind ik een onzinnige aanbeveling, die iedereen je doet, maar tamelijk onbegrijpelijk is. Ik weet het, er is heel wat over gefilosofeerd. Schrijf gewoon op wat je denkt op te moeten schrijven, op je eigen manier.
- Ga niet naar schrijfweekeinden of -weken. Je schiet er niets mee op en het is veel te duur, een geldmakerijtje voor sommige schrijvers. Tenzij je het leuk vindt om eens in een andere omgeving te zitten schrijven, maar dan nog.
De reactie die me het meest heeft getroffen
In een van de recensies van ‘Mantel van schaamte’ is deze zin uit dat boek geciteerd: ‘Ik heb net zomin als ieder ander de plaats waar mijn wieg stond of mijn achtergrond zelf gekozen’. Daar was ik heel blij mee, want het is een gedachte die me niet meer loslaat. Ikzelf en iedereen die dit stukje leest, is geboren of heeft geleefd in West-Europa in een tijd dat er geen oorlog was. De hele rest van de wereld kan dat niet nazeggen en wordt geconfronteerd met oorlogen, gebrek, en opkomend of blijvend dictatorschap. Het ziet er niet naar uit dat daar snel verandering in komt.
Wat het schrijven met me doet?
Als ik een maal weer besprongen ben door een onderwerp voor een boek, ben ik de hoofdpersoon of -personen zelf. Ze laten me niet meer los. Ik wás mijn grootmoeder, grootvader, en moeder bij het schrijven van die biografieën. Ik droomde opa en oma, ik at opa en oma, dacht opa en oma. Ik praatte opa en oma. Toen ik ‘Voordat alles beter werd’ en Mantel van schaamte’ aan het schrijven was, boeken met meerdere hoofdpersonen, was ik die personen beurtelings zelf, ze begonnen bijna deel uit te maken van onze huishouding. Bij de wandelingen in Metz, waar Mantel van schaamte’ zich deels afspeelt, kan ik nog steeds tegen mijn man zeggen: ‘Kijk, daar liepen Anouk en Jochem ook langs, toen hij de eerste keer in Metz was’, of: ‘Daar ging Anouk met de zieke Omi een pruik kopen.’ Ik ben nu een boek over een van mijn cello’s aan het schrijven. Het eerste hoofdstuk heb ik af. Tijdens het schrijven was ik mijn cello, dacht, voelde, trilde, en huilde als mijn cello. Als dat weer terugkomt, komt het wel goed met dat boek.









